War Heritage Institute

Maskers door de geschiedenis heen

Als er een object is dat vandaag de coronaviruspandemie symboliseert, is dat wel het mondmasker. Dat is nu wereldwijd onontbeerlijk geworden om de verspreiding van covid-19 – en de inademing van schadelijke bestanddelen – tegen te gaan. Het masker heeft echter reeds een hele geschiedenis achter de rug. Een overzichtje.

Maskers op de planken

Het masker speelt sinds de oudheid een belangrijke rol in de evolutie van onze samenleving. Oorspronkelijk heeft het een funeraire functie. In de Egyptische necropolen en de Myceense graven gaat het om een eenvoudig velletje bladgoud waarmee het aangezicht van de overledenen wordt bedekt om hun trekken intact te kunnen bewaren. Het masker wordt vervolgens in lichte materialen vervaardigd en in het theater gebruikt. Het wordt dan van boomschors, leder of wasdoek gemaakt. In Venetië komt uiteindelijk een zwarte fluwelen of zijden versie tot stand. Tijdens de renaissance is het masker over heel Europa in de mode, vooral door toedoen van de Italiaanse komedies (Comedia dell’Arte). Onze hedendaagse carnavalsmaskers zijn er een uitloper van. Maskers worden dus gebruikt voor parades, op het toneel, om te dansen of bij Halloween en zo heeft iedereen al wel eens een masker opgehad. In de loop van de geschiedenis wordt het masker echter ook een vorm van bescherming.

Het masker als bescherming

De eerste beschermende maskers ontstaan in het Romeinse rijk en worden dan van de blaas van een dier gemaakt. Ze worden in de mijnen gedragen om zich tegen schadelijke gassen te beschermen. Ze worden ook gedragen in werkplaatsen waar rood lood wordt gebrand.

In de 16e eeuw past Leonardo da Vinci het principe aan: hij stelt voor in water gedrenkte stof op de mond van scheepvaarders te plaatsen, als bescherming tegen eventuele chemische aanvallen tijdens zeeslagen.

Tussen de 14e en 18e eeuw krijgt Europa verschillende pestepidemieën te verwerken. De dokters denken dan dat de ziekte zich via de mond en de neus verspreidt. Charles de Lorme, eerste arts van Lodewijk XIII, bedenkt in 1619 een masker van gekookt karton voorzien van een snavel met twee gaten om te ademen. Om doeltreffender te zijn, wordt de snavel gevuld met diverse ontsmettende stoffen, zoals gedroogde bloemen, aromatische kruiden of kamfer.

Dankzij de Italiaan Bernardino Ramazzini (voorloper van de arbeidsgeneeskunde en bedenker van de beroepshygiëne) en vooral vanaf de Industriële Revolutie wordt in de 18e eeuw meer en meer aandacht besteed aan beroepen die met schadelijke substanties werken. Verschillende methodes worden uitgewerkt. Arbeiders die in ongezonde moerassen werken, wordt aangeraden het aangezicht met stof of gaas te bedekken. De dracht op neus en mond van een kegelvormige vochtige spons of stoflap wordt aangeraden aan mensen die kleurpigmenten vervaardigen, die met plaaster of pluimen werken, die wol kammen of die hoeden maken. Het volstaat het masker met azijn of andere producten zoals kalkwater te bevochtigen om bescherming te bieden aan lijmfabrikanten, afvalverwerkers, grafdelvers of zelfs aan het ziekenhuispersoneel.

Op het einde van de 19e eeuw vermoedt de Duitse arts Carl Flügge dat ziektes van patiënten op dokters door speeksel overgaan. Hij pleit er dan ook voor tijdens chirurgische ingrepen een masker te gaan dragen. Chirurg Paul Berger zou in het Tenon-ziekenhuis in Parijs in oktober 1897 de eerste zijn geweest om een dergelijk masker om te doen. Vandaag is het mondmasker een onontbeerlijk voorwerp in elke operatiekamer.

De gasmaskers in de Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog ziet de verschijning van een nieuw wapen: gevechtsgas. Het gebruik van schadelijke gassen gaande van traangas tot verstikkingsgassen had een enkel doel voor ogen: doden op grote schaal. Op 22 april 1915 sturen de Duitsers gaswolken naar de Britse linies en het goedje bereikt ook Belgische en Canadese soldaten in Ieper. Deze chemische gevechtsvoering is kenmerkend voor de Eerste Wereldoorlog. Naar schatting maakt gas 4% van alle dodelijke slachtoffers.

Een week na de eerste Duitse gasaanval verschijnen beschermingsmaskers in de vorm van gaas gedrenkt in natriumsulfaat. Die zijn makkelijk te vervaardigen, maar weinig doeltreffend. Ze worden dan ook vervangen door hoofdmaskers en in 1918 door ARS-maskers met koolstoffilter (ARS= appareils respiratoires spéciaux of speciale ademhalingstoestellen). In 1940 zijn alle legers en bevolkingen in Europa ermee uitgerust.

Chirurgische maskers

Een chirurgisch masker (hygiënische maskers met drie plooien tegen projecties) is een wegwerpproduct dat de verspreiding van virussen en bacteriën vanaf de neus, mond en luchtwegen van de drager moet tegengaan. Fijne (speeksel)druppeltjes worden door een filter tegengehouden. De besmetting van de onmiddellijke omgeving van de drager wordt zo aanzienlijk beperkt.

Dergelijke maskers worden door ziekenhuispersoneel gedragen. Bij een chirurgische ingreep vrijwaart een dergelijk masker de steriele zone, waardoor de patiënt minder kans op infecties loopt.

Hoewel ze daar niet meteen voor bedoeld zijn, kunnen maskers ook tegen de luchtvervuiling en bij virale infecties worden gedragen. Dat is nu het geval in de covid-19-periode. Het algemene gebruik van die maskers overal ter wereld veroorzaakt een tekort en dat is een centraal probleem in de pandemie.

Het chirurgische masker is geen filtrerend ademhalingstoestel. Andere vergelijkbare beschermingsmaskers zijn de FFP1 tegen stof of de medische FFP2 en FFP3. Er bestaan ook maskers bestemd voor het grote publiek.